19 juli 2006: Vertrek van Goga, Keti en Femke naar Kvariati



Na meer dan een half jaar van voorbereidingen brak dan eindelijk de dag aan dat ik met Goga Arjevanidze, onze beste chauffeur in de Delegatie, uitstekend rally-driver en mede-organisator van het Georgische deel van RZZ, tesamen met zijn vriendin Keti naar Kvariati kon afreizen om de RZZ-groep te gaan afhalen! Het plan was om rond 11u te vertrekken, maar dat werd, naar goed Georgische gebruik, een paar uurtjes later. Eerlijkheidshalve moet vermeld worden dat dit overigens niet aan Goga lag, want die was op tijd, maar ik had nog het een en ander af te handelen voor vertrek.

Ik had SMS-contact met de groep gehouden en gelukkig waren alle deelnemers en hun wagens in goede conditie in Trabzon aangekomen, dus alles verliep volgens plan.

We vertrokken in de stralende zonneschijn, uitgezwaaid door mijn man Tony en onze kinderen Joseph en Patrick, door onze huis-en-tuinonderhoudsman en vriend Zviad en door Tornike, één van onze bewakers. Goga reed voorop en dat ging prima, alhoewel ik hem af en toe moest vragen om zijn rally-instincten, d.w.z. flink gas geven, wat te bedwingen. Ik rij tenslotte in een 35-jaar oude DS met niet zo goed afgestelde koppeling, zodat pittig accelereren er niet bij is. Dit was vooral een probleem wanneer ik op één-baans hellende wegen achter vrachtwagens kwam te zitten, omdat ik die niet snel genoeg kon passeren. Op een gegeven moment was ik Goga dan ook uit het oog verloren, maar omdat hij me bij vertrek had verteld dat er maar één weg naar Batumi leidt (heel geruststellend), raakte ik niet in paniek en dacht ik: "Die staat wel ergens verderop op me te wachten". Ik genoot van het bochtige traject door de Rikoti bergpas, waar de weg wijd en heel goed bereidbaar is en op een gegeven moment zag ik langs de weg een heleboel aardewerken potten op de grond staan en Goga's rode Peugeot, met een grijnzende Goga ernaast. We hebben op die pottenmarkt in Sharosha wat rondgekeken en ik kocht twaalf aardewerken kommetjes, handbeschreven (ter plekke) door de verkoopster met de tekst: "Gaumarjos Megobrobas" (Leve de Vriendschap). Deze wilde ik later aan de twaalf RZZ-deelnemers geven, als welkomstgeschenk.


Goga temidden van de aardewerken potten

Sarosha

Inmiddels waren we al een paar uur onderweg en het werd zoetjesaan tijd om wat te eten. Goga stopte bij een leuk Georgisch restaurant met verschillende terrassen, gelegen aan een riviertje, en daar hebben we wat khachapuri (Georgische kaastaart) met tomaten/komkommersalade gegeten en Tarraguna gedronken (een naar Dragon smakende, groene priklimonade, zeer smakelijk). Volgens Goga hadden we nog meer dan 250 km oftewel vier uur rijden voor de boeg en het was inmiddels al 15u geworden, dus we hielden de lunch kort en zijn met hernieuwde energie weer verder gereden.

Hoe verder we naar het Westen reden, hoe meer vee er tot mijn verbazing en consternatie over de weg scharrelde. Koeien, varkens, geiten, schapen, paarden...het liep over de weg, lag ernaast en nog vaker er middenop of was net van plan de weg over te steken! De wijze woorden van mijn toenmalige rij-instructeur: "De drie belangrijkste zaken bij autorijden zijn: anticiperen, anticiperen, anticiperen!", kwamen maar weer eens goed van pas... Het landschap in Adjara is golvend, met subtropische bloemvariëteiten langs de weg en overdadig begroeide bomen. En het is er vochtig, heel vochtig! Het had al vier weken vrijwel non-stop geregend en wij kwamen dan ook in een flinke plensbui in Kobuleti aan. Kobuleti is het wat meer 'volkse' toeristenoord van de Zwarte Zee, met veel lawaaiierige discotheken en restaurants en langs de weg allemaal kleine kiosken, waar felkleurige badhanddoeken en plastic strandbenodigdheden worden verkocht. Via de kustweg reden we door naar Batumi, dat er al een stuk aantrekkelijker uitzag, en toen meteen door naar Kvariati. Dit is wel het mooiste deel van Adjara en de zee is er het schoonste.

We hadden kamers gereserveerd in het pas-geopende hotel "Apsaros" van vrienden van Misha, een bevriende arts, en waren na een reis van ongeveer zeven uur behoorlijk gaar, dus we wilden een verkwikkende douche nemen en eventjes op bed gaan liggen. Het viel mij in de badkamer op dat er geen aparte douchekabine of douchegordijn was (dit is, naar mij later bleek, de normale situatie in hotels in Georgië). De douchekop hing naast het toilet tegen de muur en nadat ik gedouched had was de gehele ruimte veranderd in een natte stoomkamer. Er was bovendien geen trekker of dweil te bekennen, dus alles bleef nat, vanwege het vochtige weer. Daar kwam nog bij dat de hotelkamer erg muf rook, omdat de muren nog vochtig en ongeverfd waren, dat de hoofdkussens eveneens stonken en dat het dekbed doordrenkt was met een mottenballenlucht, dus lekker liggen was het niet; integendeel, ik kreeg er hoofdpijn van. Ik ging maar eens poolshoogte nemen bij Goga en Keti, om te horen of zij dezelfde problemen hadden als ik en inderdaad had Keti ook nog geen oog dichtgedaan vanwege de stank (Goga was een biertje gaan drinken beneden in de bar). Dus wij naar Maguli, de eigenaresse van het hotel, en die vertelde dat zij en haar man Ruslan alle hoofdkussens nog diezelfde dag gekocht hadden maar dat ze er niet aan geroken hadden en dat de muffe lucht in de kamers veroorzaakt werd door het feit dat het al wekenlang regende. Ze beloofde evenwel schoon beddegoed te laten brengen en in de tussentijd gingen wij op onderzoek uit naar een restaurant, wat nog lang niet meeviel. Vanwege het slechte weer was er praktisch geen toerist te bekennen en menig restaurant was dan ook dicht. We zijn toen maar tegenover ons hotel in een café/restaurant gaan zitten, waar we een redelijk smakende pizza met Georgische kaas naar binnen hebben gewerkt. Vanwege de weersomstandigheden besloten we aan de groep voor te stellen om morgen maar meteen door te rijden naar Tbilisi, in plaats van nog een paar dagen in Kvariati te blijven. Omdat we moe waren en de dag erop uitgerust wilden starten, zijn we vroeg gaan slapen, op inderdaad prettiger geurende kussens.